|
Voorstel
rond de Doop
Het
afgelopen jaar heeft de kerkenraad herhaaldelijk gesproken over de
doop, en met name over de vraag wie in ons midden gerechtigd zijn
hun kind te laten dopen. Ook op de gemeenteavond in januari en op
zondag 20 september na de (doop)dienst is hierover met de gemeente
gesproken.
We zijn nu zover dat we een besluit aan u kunnen voorleggen.
Uitgangspunt
Uitgangspunt
voor ons voorgenomen besluit is dat de kerkenraad eraan hecht dat
degenen die de doop voor hun kinderen verlangen, ook zelf
verantwoordelijkheid nemen voor de weg waarop zij Forgelhun kind willen
voorgaan in geloof. Belijdenis doen is immers ten diepste niets
anders dan het beamen van de eigen doop.
Vanwege dit uitgangspunt vindt de kerkenraad het van groot belang,
dat in de voorafgaande doopcatechese uitdrukkelijk aandacht
geschonken zal worden aan het nauwe verband dat bestaat tussen doop
en belijdenis, tussen het onvoorwaardelijke Ja van God tegen ieder
mensenkind dat zijn zegen verlangt en ons aarzelende ja als antwoord
op Gods vrije genade.
Pastorale
overwegingen
Hoewel
de kerkenraad hecht aan het doen van belijdenis, en dit nadrukkelijk
onder de aandacht wil brengen van hen die de doop van hun kind
verlangen, moeten wij ook constateren, dat er in toenemende mate
verzoeken binnenkomen om een kind ten doop te houden, waarbij de
ouders niet de vrijmoedigheid bezitten om belijdenis van hun geloof
af te leggen.
Hoezeer wij ook het verband tussen het antwoord bij de doop van het
kind en het ja-woord bij de eigen belijdenis trachten uit te leggen,
we moeten ook aanvaarden dat de belijdenis zich niet laat afdwingen.
Dat zou ook tegen de aard zijn van het afleggen van de belijdenis
van het geloof als een vrije instemming met de weg van het geloof.
Een andere overweging is dat in de Protestantse Kerk in Nederland de
mogelijkheid bestaat om als dooplid het kind ten doop te houden. |
Dit
sluit aan bij de gewoonte vanuit de voormalig Nederlands Hervormde
Kerk. De situatie kan zich nu voordoen en zal zich in de praktijk
ook voordoen, dat nieuw ingekomenen in de Bethelkerk uit een
protestantse gemeente ergens in het land, als doopleden hun kind
hebben laten dopen, en nu een volgend kind niet kunnen laten dopen.
Dat is een ongelijkheid, die we als kerkenraad om pastorale redenen
ongewenst vinden.
Besluit
Vanuit
dit uitgangspunt en deze overwegingen, zijn we als kerkenraad tot
het volgende voorgenomen besluit gekomen dat op de vergadering van
de grote kerkenraad van 23 november 2009 unaniem is aangenomen:
Wij
hechten aan het doen van belijdenis voor degenen die hun kind ten
doop willen houden en zullen in de doopcatechese het verband tussen
doop en belijdenis duidelijk naar voren brengen.
Degenen die echter (nog) niet de vrijmoedigheid kunnen vinden om
belijdenis af te leggen, willen we niet verhinderen om toch hun kind
ten doop te houden.
Wij nemen als kerkenraad en als gemeente onze verantwoordelijkheid
voor allen die gedoopt zijn, door de ouders na de doop van hun kind
ondersteuning en toerusting te blijven aanbieden in de vorm van
gesprekskringen, huisbezoeken ontmoetingsavonden. Zij zullen hier
gericht voor uitgenodigd worden.
Het
vervolg
De
Kerkorde schrijft voor dat bij een voorgenomen wijziging van de
toelating tot de bediening van de doop, de gemeente gehoord moet
worden. Dat is voor de kerkenraad niet alleen een voorschrift, maar
ook een regel die de kern van het gemeente zijn raakt. Bij
beslissende veranderingen dient de gemeente zich te kunnen
uitspreken.
Vandaar
dat er een gemeenteavond werd uitgeschreven op dinsdag 12 januari
2009.
De kerkenraad
nu zelf zijn
verantwoordelijkheid moeten nemen om tot een besluit te komen.
|